Quiche quarantaine #34: broodje MartinE

Jawel, u leest het goed. Niet een broodje martino, maar een broodje Martine. Noem het de elegante pendant van het bekende nachtelijke krachtvoer.

Deze week werd mijn aandacht gevestigd op een artikel in het regionale katern van de krant. Een reportage over Martine, die al jaren een heerlijk winkeltje uitbaat vlakbij het Gravensteen, aan de Kraanlei in Gent. Een souvenirshop, zo wordt het Craenkindershuys genoemd. Maar de winkel van Martine is niet zomaar een winkel waar toeristen vlug hun made-in-China-troep kunnen scoren. Het is een zaak waar in alles de persoonlijkheid en smaak van de uitbaatster naar voren komt, en waar ook veel vintage Gentenaars graag snuisteren naar leuke hebbedingetjes, streekproducten en originele geschenkjes. Het benadert wat Charles Dickens ooit zo sprookjesachtig omschreef als “The Old Curiosity Shop“.

Door het coronavirus blijven ook de toeristen weg, en dat is natuurlijk een belangrijk clientèle van Martines winkeltje. De weg naar de lockdown-uitgang is niet voor elke ondernemer bezaaid met rozenblaadjes. Dat vertelde me ook een lokale gids, die ik op weg naar het Craenkindershuys op anderhalve meter na tegen het lijf liep. Hij loopt dagelijks door de straten van het prachtige Gent rond, maar heeft voorlopig niemand om zijn enthousiasme mee te delen…

Ik zette dus nog steviger koers naar Martine. Ik ken haar al lang, want ik heb nog een tijd in een appartement boven haar zaak gewoond. “Stiefbuurvrouw,” noemde ik haar steeds, want ze was enkel mijn onderbuur tijdens de openingsuren van haar winkel.

Die periode was ik geprivilegieerd in mijn luiheid, want telkens ik een cadeautje voor iemand nodig had, daalde ik gewoon de trap af en koos ik uit haar assortiment textiel, wenskaartjes, lekkere drankjes uit de streek, juweeltjes, aardewerk of andere kleinoden.

Ge zijt mijn vierde klant vandaag,” zei ze. Het was al vier uur in de namiddag. Daar viel mijn oog op een rode aardewerken vaas. Die moest ik hebben, zeker gezien ik nu weer volop bloemen in huis kan halen.

Zo vlug als mijn keuze was gemaakt, zo lang bleven we nog tetteren, roddels uitwisselen, anekdotes ophalen en onze handen ontsmetten. Op de achtergrond speelde zoetgevooisde jazz. Onze ontmoeting was chaleureus als altijd en ook Martines uvulaire Gentse R heeft de coranacrisis gelukkig goed doorstaan.

Ik kwam thuis met een kamerbrede smile op het gezicht en een knalrode vaas in mijn handen. En dus besloot ik een “broodje Martinete bedenken. Fris, pittig en zoet (op en top Gents dus) en met rode toetsen die doen denken aan de rode lipstick zonder dewelke Martine Martine niet zou zijn.

Men neme twee sneetjes roggebrood met krenten. Beleggen met gerookte zalm. Daarop schijfjes radijs en lekker veel postelein. Van Gentse Tierenteyn-mosterd en honing een dressing maken en het geheel bestrooien met pitjes van een granaatappel.

Lekker met een glaasje Roomer erbij. Toeval of niet: dat kan je in het Craenkindershuys kopen. Waar wacht u nog op?

*PS: het moest er eens van komen, maar ik heb deze blog geschreven toen ik het bewijsmateriaal al had opgegeten. Geen foto dus, behalve onderstaande. Maar ga nu alstublieft geen tulpen eten.

Quiche quarantaine #33: Spaanse eieren op zijn Vlaams

Het zal al lang geleden zijn, dat ik medio mei nog met een pardessus door de straten van Gent heb gewandeld. Al komt die opstaande kraag wel van pas, om mijn lange haar te camoufleren. Niet geneut dus. We halen de zon dan maar binnen in de keuken.

Ik ga vandaag op reis. Mijn boekenkast is mijn touroperator die me een waaier van mogelijkheden aanbiedt: “Jamie’s Italië“, “Als kok in Frankrijk“, “De Griekse keuken“, “Smakelijk China“, “La Cuisine de l’Algarve“… Ik pikte er een kookboek over de Spaanse keuken uit. De illustraties van bergen sinaasappelen, de zonsondergang boven het Alhambra, grootse pannen gevuld met rijkelijke paella en scholen vissen die zonder social distancing in overdekte markten liggen uitgestald, doen watertanden naar flamencokreten en het geluid van wilde castagnetten.

Er stond ook het recept voor een Vlaamse klassieker in, hoewel niemand hier er ooit van heeft gehoord: Huevos a la flamenca. Eieren op zijn Vlaams, dus.

Eigenlijk is het simpel: ui en groene paprika stoven in wat olijfolie, (pikant) paprikapoeder en look toevoegen. Daarbij in blokjes gesneden chorizo voegen. Na enkele minuten tomatenblokjes bij het mengsel gieten en het geheel aan de kook brengen. Zouten en peperen. Dan in blokjes gesneden gekookte aardappelen (ik gebruikte krieltjes) toevoegen en stukjes snijboon en diepvrieserwtjes. Je kunt er eigenlijk alles in kwijt dat uit blik of bokaal komt. Of restjes uit de koelkast uiteraard. Aardewerken schaaltjes vullen met het mengsel en in het midden een kuiltje maken waar je een ei in legt (deze laatste zin klinkt wat vreemd). De oven in tot het eiwit gestold is en de dooier nog lopend.

Toeval of niet, maar toen ik mijn schaaltje uit de oven haalde, stroomde het zonlicht plots binnen door het keukenraam.

Reizen in je boekenkast? Het loont de moeite. Helemaal niet duur. En goed voor je ecologische voetafdruk.

Quiche quarantaine #32: kool à l’os

Veel winkels zijn open, en blijkbaar was daar grote nood aan. Al moeten politieagenten nog een oogje in het zeil houden of de mensen wel aan de rechterkant van de straat lopen, en ze het eenrichtingsverkeer in bepaalde winkelstraten respecteren. Deze namiddag passeerde ik langs een antiquair waar ik ooit iets heb gekocht. Voor het eerst in twee maanden stond de toegangspoort wagenwijd open. “De security heeft zijn handen vol binnen,” grapte hij. Ik wierp een blik naar binnen, en effectief: één grote massa van standbeelden, oude mannequins en bustes van illustere personen uit een ver verleden staarden ons aan. Maar voor de rest: geen levende ziel.

Er kwam een politiewagen voorbij. De wagen stopte voor de deur. De politieagent stapte uit en trok – waar leren ze dat toch? – zijn wapengordel omhoog. “Nu hebben we het vlaggen,” dachten we. Maar de dienaar der wet vroeg zich gewoon af of de antiquair geen koffie-to-go verkocht, net zoals in het pre-corona-tijdperk. “Dat hij het nodig had,” zei hij blazend, “want hij voelde zich al weken lang een veredelde parkeerwachter.” Daarop zei de antiquair dat ook de parkeerwachters volgende week opnieuw op patrouille gaan. “Volgende week?” vroeg de agent. De antiquair knikte bevestigend. “Allez, u heeft geluk,” zei ik, knikkend naar zijn fout geparkeerde politiewagen. Hij kon ermee lachen. Koffie brengt mensen bij elkaar.

Enkele tellen later keek een jong koppel Fransen de zaak binnen. “Vous avez du café?”. Uiteraard had de antiquair koffie. “Only takeway,” waarschuwde hij voor de zekerheid. Net waren de twee dampende kartonnen bekertjes de straat uit gewandeld, of een koppel gepensioneerden vroeg om koffie. Mijn werk hier was gedaan. U kunt mij inhuren om ook uw zaak opnieuw op gang te trekken.

Een feestelijke stemming maakte zich van mij meester. En dus dacht ik om steak-frites te maken. Maar dan wel met mijn corona-kilo’s in het achterhoofd. Een vegetarische versie dus.

Bloemkoolsteak blijkt onder veggies en vegans al jaren een ware hit te zijn. Dus dacht ik dat eens te proberen. Een bloemkool heeft bovendien een heel mooie structuur. Ik sneed dus een dikke steak uit de kool (die ik dan maar kool à l’os doopte) en grilde hem twee minuten langs elke kant. Daarna ingewreven met een mengsel van tahin, olijfolie en yoghurt, met pikant paprikapoeder, kerrie, komijn, zout, peper, geraspte mierikswortel en citroensap. Dan zo’n 20 minuten de oven in.

Opgediend met ovengebakken frietjes van zoete aardappel, gestoomde snijbonen, en een pesto van postelein (geroosterde zonnebloempitten, postelein, cheddar, olijfolie, goed wat zout en peper en twee dikke tenen look).

Wake up and smell the coffee: er komen stilaan betere tijden!

Quiche quarantaine #31: de nieuwe bakkersjongen

Daar woei ik de lege bakkerij binnen, zo ergens in de namiddag. Op zo’n uur dat je heel erg in de verleiding komt om een eclair of tompouce te kopen als beloning voor de zware boodschappentocht die je weer maar eens hebt overleefd.

Hallo!“, riep ik opgewekt, toen ik de deur van de bakkerij achter me dicht deed. Toen ik een uurtje geleden de straat uitliep, om in het stadscentrum groenten en zuivel te kopen, stond de rij wachtenden weer tot aan de overkant van de straat. Aanschuiven doe ik op een doordeweekse zondag ook al niet, want het brood is nu niet bepaald het beste van de stad. Dus doe ik altijd een ommetje en zie: de rij is weg.

Mijn begroeting kreeg geen respons. Aan de overkant van de verkooptoog bleef het verdacht leeg. Plots schoot van achter de kassa een jongen omhoog. “Hallo,” zei hij vriendelijk. Een nieuweling. Student of zo. “En wat mocht het zijn?“. Ik wist even niet wat gezegd.

Dat heb wel vaker in de bakkerij, want meestal dringen de jongedames achter de toog nogal aan op een snelle beslissing, terwijl ik altijd moet beginnen kijken. Dat heeft ermee te maken dat de broden opgesteld staan aan het einde van de winkel, waar de kassa staat. Dus kom ik meestal met een wit boerenbroodje buiten in plaats van met een lentebrood, trispeltbrood, pandabrood of achtenveertiggranenbrood.

Mannen gaan op een andere manier naar de winkel. Ofwel met een briefje waarop hun echtgenote het gewenste heeft neergepend. Paniek als er dan plots geen glutenvrije pompoenpittenpistolets met zuurdesem meer blijken te zijn, natuurlijk! Ofwel staan ze gewoon hun beurt af te wachten in de rij en ondertussen te dagdromen. Soms durven ze daarbij wel eens een melodietje fluiten, en met hun sleutels spelen. Dan staan ze aan seks te denken. Of aan dat paar kleurrijke sokken dat ze online willen bestellen. Maar meestal aan seks. En dan moeten ze plots vlug een keuze maken over welk soort brood ze zouden willen. “Qu’ils mangent des brioches,” denken we dan met Marie-Antoinette.

Deze aanminnige knaap was uiterst geduldig met mij. Er was niet veel keuze meer, en net dan wordt het moeilijk. De schuld van de rijmensen van een uur geleden. Ik koos dan maar een volkorenbrood. Hij verstond me niet. Elk van onze kant kwamen we dichter bij de plexiglazen plaat die de klant van de verkoper scheidt. Alsof dat helpt. We moesten allebei lachen met onze gedeelde idiotie. Ik wees dan maar, terwijl hij alle nog aanwezige broden afging. Het was teamwork van mezelf en deze novice. Hij wou er me ook nog een zes euro voor aanrekenen. Verkeerd ingetikt. “Sorry,” zei hij, terwijl ik hem al lang de absolutie had gegeven. Hij zei dat hij hier nieuw was. Alsof dat me nog niet was opgevallen. “Geef me maar een eclair ook,” vroeg ik. Want ik had plots zin in iets zoets om onze wittebroodsweken feestelijk aan te zetten. En bovendien is het weer ernaar. En ik heb toch geen karakter.

Thuisgekomen maakte ik melanzane alla parmigiana klaar: een lasagne van gegrilde plakken aubergine, mozzarella, tomatensaus (die over was van de pizza van gisteren) en parmezaan. Een ideaal ovengerecht op deze ruige rukwindmaandag. Met een sneetje brood de schotel schoongemaakt.

Maar nu heb ik nog 95 procent van een brood over. En ik had net zin gekregen om morgen bij de bakker in de rij te gaan staan.

Quiche quarantaine #30: vooruitzicht op bezoek

De beslissingen die de Nationale Veiligheidsraad vandaag nam, halen een hoop gewicht van de schouders. Het vooruitzicht op bezoek doet verlangen naar tijden die al zo lang geleden lijken. Langzaam lijken we naar een voorzichtige exit van de maatregelen te gaan. Experten en de regering voelen met hun teen de temperatuur van het water aan. Laat ons dus niet allemaal meteen in de plas gaan springen.

Ook ik kijk nog even de kat uit de boom, voor wat de praktische kant van de zaak betreft. Mijn lijstje van mensen die ik wil uitnodigen wordt al weken elke dag en elke nacht geüpdatet. Ondertussen is die lijst aangegroeid tot een serieuze papierrol. We hebben geen stoelen genoeg in huis, laat staan parkeerplaats voor het huis. En ook de wijnreserves zijn niet voorbereid op het bacchanaal dat ik voor ogen heb.

Het wordt dus een hartverscheurende keuze en heel wat hoofdbrekens. Ik zal er de volgende nachten niet van kunnen slapen, maar dan wel met een gevoel van anticipatie en hoop.

In de keuken was ik alvast in feeststemming. Ik maakte alvast wat hartige en zoete bladerdeegtaartjes. Ze zijn zo klein dat ik mezelf de illusie kan aanpraten dat het niet erg is als ik er een paar van nuttig, terwijl ik door kook- en adresboeken blader op weg naar andere tijden.

Voor de spinazietaartjes legde ik cirkeltjes bladerdeeg in ingevette muffinvormpjes. Daarin telkens goed wat met knoflook aangestoofde spinazie. Opvullen met een mengsel van ei en kaas. Wat muskaatnoot, zout & peper toevoegen en een kwartiertje de oven in.

Voor de tartelettes van aardbeien moet het bladerdeeg eerst blind worden gebakken. Daarna de afgekoelde kuipjes opvullen met koude banketbakkersroom en beleggen met aardbeien.

Ik kijk alvast uit naar volgende week!

Quiche quarantaine #29: versoepelde aubergines tegen huidhonger

Bioloog en schrijver Midas Dekkers vond enkele jaren geleden een schitterend woord uit. Volgens hem zijn we allemaal “thigmofiel“. We hebben volgens hem allemaal het verlangen naar aanraking en geborgenheid. Een arm om je heen voelen, het nestelen in een comfortabele zetel, het verdwijnen onder een dekentje, het vuurtorengevoel… “Als er geen thigmofiel in bijna ieder van ons zat, dan was het onmogelijk om iemand een Fiat 500 te verkopen of dat we ons prettig voelen op een toilet,” poneerde Dekkers in een interview op Radio 1, in die heerlijke stijl die hem eigen is.

De huidhonger heeft althans bij mij goed toegeslagen. Het is zo ontzettend onnatuurlijk om gesprekken te voeren enkel via telefoon en hakkelende apps, om elkaar niet met een zoen of knuffel te begroeten, eens lieflijk door iemands haardos te woelen of een bemoedigende kneep in de schouder te geven… En met al die extra corona-kilo’s (één van die 700 nieuwe corona-woorden, van lockdownparty tot hoestschaamte) is er aan mij tegenwoordig serieus wat pak aan. En er gebeurt niets mee. Binnenkort ga ik moedwillig eens tussen de dichtgaande deuren van een tram gaan staan, denk ik. Maar dan heb ik eerst een mondmaskertje nodig…

Ik snap de nood aan de tijdelijke plexiglazen en gemoltoneerde anderhalvemetersamenleving. Maar je merkt aan die klinische en steriele woorden dat het allesbehalve normaal is. Binnenkort loopt iedereen gemondmaskerd rond in de mompelmaatschappij… Ik begin mij stilaan in te leven in hoe zeevogels zich moeten voelen na een ramp met een olietanker. Ik hoop dat we binnenkort onze taal van dat jargon kunnen ontsmetten.*

Le Déjeuner sur l’Herbe van Edouard Manet zoals het er vandaag zou uitzien

Wat me het hardste pijnigt, is het – meestal – alleen eten. Gelukkig zijn hier nog wat huisgenoten voorradig waarmee ik af en toe de keuken of de tafel kan delen, maar ook daar kijken we mee uit.

Het is de hartelijke begroeting op restaurant, de blablabla terwijl je tussen andere klanten staat aan te schuiven in een frituur, het is het dekken van een mooie tafel voor lieve vrienden die komen eten en je van je flessen wijn afhelpen, het is het fantaseren met andere terrasgangers over wat je die avond toch niet zult koken omdat je te lang blijft plakken, omdat het zo gezellig is. Het is tegen een nieuwe potentiële vriend zeggen: “Kom ne keer eten binnenkort!”, en het nog menen ook.

Ondertussen kijk ik met groot genot – en met zakken vol heimwee én verlangen – naar het volledig oeuvre van Wim Lybaert op de VRT: De Columbus, Het Goeie Leven… Programma’s waarin mensen met en voor elkaar koken en eten en – zoals de titel het al zegt – het goeie leven vieren.

Stel u voor wat een saai schilderij “Het Laatste Avondmaal” van Leonardo da Vinci zou zijn, zonder dat dozijn apostelen (ook al zat er dan een verrader tussen). Stel u voor wat een saaie film “La Grande Bouffe” zou geweest zijn met alleen maar Philippe Noiret en die gigantische berg aardappelpuree…

Night Hawks door Edward Hopper (1942)

Daarom een ode aan de thigmofilie vandaag.

Van een glimmend zwarte aubergine sneed ik dikke plakken die ik een tiental minuten, besprenkeld met olijfolie, in de oven liet “versoepelen”. Deze oprollen met erin een mengsel van gehakt, ei, paneermeel, oregano, peterselie, zout en peper. Deze involtini of cannelloni van aubergine in een ovenschaal leggen en daarbij wat groentebouillon gieten en wat tomatenblokjes. Laurierblaadje, peterselie en tijm bijleggen en een halfuur de oven in. De rolletjes apart houden en de saus in een pannetje gieten en mengen met wat zure room. Opdienen met wat spaghetti, ook weer tot een nestje opgerold.

Oprollen, nestelen, inkapselen, krullen en draaien zoals je zelf ’s ochtends in je bed doet, wanneer die wekker weer eens te vroeg wakker is. Dat is thigmofilie.

Maar ik had toch liever twee porties gemaakt.

*Het Coronawoordenboek kunt u raadplegen op de website van de Taalbank.

Quiche quarantaine #28: structuur op bord

Het magneetbord in de keuken werkt als een publieke biecht. Aan de hand van de woorden die erop verschijnen, krijg je inkijk in de leefwereld en plannen van de andere huisbewoners. Zo bijvoorbeeld het recentste lijstje van Huisgenote.

Zoals steeds hoort ook ditmaal olijfolie tot haar desiderata. Ik vermoed soms dat Huisgenote de gemiddelde Griek(se) naar de kroon wil steken wat consumptie van olijfolie betreft. Ze schiet ongeveer even frequent naar de supermarkt om een fles als ik om een bos snijbloemen.

Er viel mij echter nog iets anders op aan haar lijstje. Er zit een structuur in. Ze viel uit de lucht toen ik haar er op wees: het lijstje vertoont een opgaande structuur van tijdseenheden: SECONDElijm, MINUTE Maid, UURwerk, DAGcrème… en olijfolie is in ons huis een EEUWIGE zorg.

Er moet structuur zijn op een bord, en dat past Huisgenote blijkbaar consequent toe.

Ik nam er een voorbeeld aan, en flanste een zalmtartaar in mekaar van zalm (uiteraard), avocado, komkommer en lente-ui. Onderaan een sneetje geroosterd brood, uitgesneden met de serveerring. Vergezeld van wat van die heerlijke erwt-aspergescheuten en een pesto van waterkers. Die maak je met wat geroosterde pijnboompitten, waterkers, parmezaanse kaas, knoflook, peper en… olijfolie.

Een bord moet structuur hebben. Het is waar.

Quiche quarantaine #27: een feestdag als alle andere

1 mei vandaag, en dus een feestdag. Het is aan de historische strijd voor de werkdag van acht uren, dat we de betaalde feestdag van de Dag van de Arbeid te danken hebben.

Al valt het verschil dit jaar niet bepaald op: de winkels zijn al bijna twee maand gesloten en ik hoef het huis ook niet uit om te gaan werken. De straten en pleinen en terrassen kleuren dit jaar niet rood in Gent.

Dus moeten we zelf het verschil maken. Liefst met een eenvoudige klassieker.

Een overschot aan garnalen door een whiskysausje gehaald en er een joekel van een rode tomaat mee opgevuld. Een aardappel omgetoverd tot ovengebakken frieten. En wat waterkers erbij voor de kleur en de panache. Veel werk plan ik vandaag niet te verrichten. Het is en blijft per slot van rekening een betaalde vrije dag.

Geniet ervan!

Quiche quarantaine #26: nostalgische garnalen

Toen ik hier gisteren aankondigde vandaag een nostalgisch gerecht met garnalen te maken, stuurde een vriend me onmiddellijk de cryptische boodschap “karnemelkstampers!”. Voor lieden die niet in Oost- of West-Vlaanderen wonen, zou het ontvangen van dergelijke sms de casus belli kunnen zijn voor een levenslange vijandschap of een proces in kortgeding wegens smaad en laster.

Niets van dat alles. Deze sms was een nostalgische hartenkreet naar een oud boerengerecht dat enkele nederige ingrediënten verheft tot een overtreffende trap van smeuïgheid. Karnemelkstampers met een gepocheerd eitje, papsaus en Noordzeegarnalen. Ik at het voor het laatst een jaar geleden in het joviale restaurant “Mémé Gusta“, waar ze grootmoeders keuken hebben geüpdatet naar de 21ste eeuw. Daarvoor moet het zeker twintig jaar geleden geweest zijn. Ik weet het nog goed: het was op zo’n gure novemberavond dat mijn mama, onder de warme gele schijn van de dampkaplamp – wat een prachtig poëtisch woord! – aankondigde: “Weet ge waar ik nu eens goesting in heb? Ik ga nog eens karnemelkstampers maken, zie!“. Die aankondiging alleen al deed ons watertanden. Eten dat wordt aangekondigd, heeft al een voorsmaakje en dat maakt de ervaring altijd net iets lekkerder.

Het enige wat je nodig hebt, zijn aardappelen, eieren, boter en karnemelk (de vetvrije, zurige melk die overschiet na het karnen van de boter). En natuurlijk enkele borden van het merk Royal Boch, uit de serie “Copenhague“. Iedereen zal ze onmiddellijk in de foto hieronder herkennen. En tegelijk het geluid horen van een vork die langs de geribbelde randen van het vaatwerk schraapt, terwijl ze het laatste restje uit het bord wil halen.

De gekookte aardappelen plet je en maak je met de karnemelk in een handomdraai tot een zachte puree (peper en wat muskaatnoot). De papsaus is boter, gesmolten tot beurre noisette, waardoor je opnieuw wat karnemelk draait. (Een beetje vreemd dat je het weggekarnde er terug in gooit, maar het is de moeite waard!). Je pocheert ondertussen een ei (een drietal minuutjes). En je besprenkelt het geheel rijkelijk met garnaaltjes. C’est tout!

Nostalgie, melancholie en weemoed, uitgeschept in één diep bord. Het zijn de smaken van de zilte West-Vlaamse grond: de polderpatatten, de boter en botermelk uit Diksmuide, de zoute geirnoarts uit de Noordzee.

Bij het pellen van de garnalen word ik opnieuw overvallen door nostalgie. Ik moet denken aan een tijd, zeven jaar geleden, toen we nog op terrassen mochten zitten. En dus laat ik onderstaand tekstje uit de lente van 2013 hieronder volgen:

Het is vrijdagsmarkt op de Vrijdagmarkt. En wat doet een man dan? Hij doet wat inkopen om nadien op café te gaan en uiteindelijk met lege handen en een volle maag thuis te komen. Op een terras zit een vader met zijn twee kleine dochtertjes. Hij heeft garnalen gekocht van de viskraam, en zit die nu te pellen met de acribie en deskundigheid van een Zeeuw. De garnalen kunnen niet vlug genoeg verdwijnen in de mondjes van de twee meisjes. Af en toe neemt hij er ook ééntje, onder protest van zijn nageslacht. Er staat een glas Rodenbach voor hem, dat de zon heeft gevangen in zijn robijnrode kleur. Grijze garnalen en Rodenbach. Troost. Gastronomie van de Noordzeekust in ’t Zuiden van Europa, zoals het café heet.

Plots wordt de terrasgemeenschap opgeschrikt door een doffe klap. Even duurt het vooraleer de oorzaak is vastgesteld. Gekrijs. Een van de meisjes is tussen de leuning en het zitvlak gevallen van het klapstoeltje waar ze op stond te balanceren. Papa heeft nog een half gepelde garnaal in zijn linkerhand en trekt met zijn rechterhand onhandig aan de spartelende kleuterbeentjes van het geknelde kind, terwijl de jongste van de twee op zijn schoot zit, en met grijphandjes naar de zak garnaaltjes hengelt.

Even is iedereen in de ban van de kleine tragedie die zich voor onze ogen afspeelt. Kinderleed raakt ons allemaal. Een salvo verontwaardigde blikken wordt afgevuurd op de vader, die zijn oogappel inmiddels heeft omhoog gehesen en haar aan het troosten is. Moeders zijn multitaskende octopussen met tedere tentakels. Vaders zijn aandoenlijke klunzen met sterke schouders en een troostende nek. En een garnaal om het schreien te stoppen. En ook wel sorry te zeggen.

Stilzwijgend beslist het terrasvolk het hem te vergeven. Ze verdiepen zich terug in glazen pastis. En in hun opengespreide kranten.

“Want,” zo gaat mijn buurvrouw verder, “dat in Syrië is ook wel erg”.

Quiche quarantaine #25: bloemenkool

Er overvalt mij een gevoel van dinsdagheid. Hier is het dinsdag, alle dagen, ik weet het zeker. Dit is een dinsdags land,” aldus schrijver Dimitri Verhulst in zijn boek “Dinsdagland” (2004).

Vandaag was het werkelijk zo’n Belgische dinsdag in mijn geliefde Gent. Ik heb al lang door dat het moment dat de zon even niet schijnt, veel mensen met een gezicht als een hoefijzer gaan rondlopen. Ik denk dat ze op deze verregende dinsdag allemaal door de stad slenterden.

Tot overmaat van ramp lieten de tulpen thuis – weliswaar na twee weken – ook al finaal de kop hangen. Stengels zonder blaadjes en herfst op de parketvloer. Weinig om vrolijk van te worden.

En in de koelkast lag dan ook nog eens een halve bloemkool te zaniken of er nog iets van zou komen. “Ja!”, riep ik nogal geërgerd. “Ik ga eerst om bloemen en dan ga ik me met jou bezighouden!“. Ik gooide de koelkastdeur nogal hard dicht. Kon hij nog een uur langer in het duister liggen mokken.

In de lokale Albert Heijn waren de tulpen in overvloed aanwezig, en dan nog aan fikse promoties. Vier bosjes meegenomen aan halve prijs. En omdat je bij dat soort van promoties altijd het idee hebt dat je geld hebt uitgespaard, maar een pakje gepelde garnalen meegenomen.

Thuisgekomen de vazen geleegd, gereinigd en gevuld met tulpen die hopelijk vanaf morgen zullen opengaan. Bij de eerste donderslag en bliksemschicht (april heeft op het laatste nippertje door dat het nog maar twee dagen heeft om zijn grillen te botvieren) besliste ik om een simpele bloemkoolsoep te maken. Mét pittige balletjes van kalfsgehakt, muskaatnoot, kerrie, broodkruim, peterselie en tijm. En croutons van een schaamsneetje brood. De garnalen zullen morgen dienen voor een nostalgisch gerecht.

Bloemen en bloemkool; er bestààt een verband tussen de twee. Daarvoor moeten we naar Milaan, meer bepaald in het Teatro alla Scala.

Telkens de befaamde operazangeres Maria Callas daar optrad, was het publiek verdeeld in idolate voorstanders en rabiate tegenstanders van de sopraan. Tijdens een opvoering van de opera “Norma” moest de opvoering vaak minutenlang worden stilgelegd na één van Callas‘ aria’s, omdat het publiek zo geestdriftig reageerde. La Callas was bijziend, maar kon natuurlijk op scène geen bril dragen in haar rol van de Gallische hogepriesteres Norma. Na haar laatste noot gooide het wild applaudisserende en scanderende publiek talrijke ruikers bloemen voor haar voeten. Plots hoorde ze ook een zware, doffe plof op de bühne. Zonder het goed te kunnen zien, raapte ze het zware object op, en presenteerde het dankbaar aan haar publiek.

Het bleek een bloemkool.

Ik ben er zeker van, dat ze dat vergiftigd geschenk diezelfde avond nog in de soep heeft laten draaien. Geserveerd in een bord met bloemenmotief.