Quiche quarantaine #06: ballen voor Galliërs

En voor we verder gaan: den olifant met olijfkes!“. Het is maar één van de vele geniale zinnen uit “De XII werken van Asterix“. Daarin legt Julius Caesar de Galliërs twaalf opdrachten voor. Slagen ze in alle twaalf, dan zal hij erkennen dat ze goden zijn, en zich aan hen onderwerpen. Een van de tests betreft het verorberen van de ganse kaart van de “Belgische” kok Mannekenpix (compleet met zwaar Brussels accent). De kok slooft zich uit om scholen vissen, bergen kaviaar, een familie koeien, de kameel, een kudde schapen enzoverder voor te schotelen. Maar Obelix, een obese menhirdrager, is onverzadigbaar en eet de tent leeg. De wanhopige chef verlaat huilend zijn restaurant, waarop de dikke Galliër buiten komt vragen of iemand de kok heeft gezien, want die heeft hem “net na het voorgerecht in de steek gelaten”.

De Asterix-strips kwamen uit de koker van Fransman Albert Uderzo (92), wiens overlijden vandaag werd bekend gemaakt. Hij bedacht een fictief dorp in Gallië (vandaag het westen van Europa) ten tijde van de Romeinse invasie, zo rond 50 voor Christus – de tijd van Caesar. Die laatste schreef voor de senaat in Rome zijn verslag over de Gallische oorlog neer in het beroemd geworden “Comentarii de bello Gallico“. Daaruit onthouden wij graag dat “van alle Galliërs de Belgen de dapperste waren“. Maar dat is een beetje historische cherry picking. Ja, de Gallische Belgae waren de dapperste tegenstanders, maar dat kwam omdat het ongelikte beren waren, die geen beschaving hadden genoten. Pummels, in één woord. Het volledige citaat staat hieronder te lezen:

Horum omnium fortissimi sunt Belgae, propterea quod a cultu atque humanitate provinciae longissime absunt, minimeque ad eos mercatores saepe commeant atque ea quae ad effeminandos animos pertinent important, proximique sunt Germanis, qui trans Rhenum incolunt, quibuscum continenter bellum gerunt.

(De Belgae zijn de dappersten van allemaal, omdat ze het verst verwijderd zijn van de cultuur en de beschaving van de provincia en er slechts zeer zelden kooplui dingen komen brengen die bijdragen tot de verwekelijking van hun geesten, en omdat ze vlak bij de Germanen leven, die aan de andere kant van de Rijn wonen en met wie ze voortdurend oorlog voeren.)

Uderzo’s verhalen spelen zich af in het enige Gallisch dorp dat weerstand kon bieden aan de veroverende Romeinen. Het dorp van de kleine Asterix en zijn forse boezemvriend Obelix was volledig ommuurd en dankte zijn onoverwinnelijkheid aan een geheime toverdrank. Obelix mocht daar evenwel nooit van drinken wegens de overdosis die hij als kind had gekregen toen hij in de ketel was gevallen. Zo weet ik er ook nog een aantal gevallen rondlopen in Gent.

Het dorp van Asterix en Obelix was eigenlijk ook een dorp in quarantaine. In hun geval tegen een zichtbare vijand die ze probeerden te bestrijden. Niettemin zette het olijke duo herhaaldelijk koers naar het verre buitenland, tot in Egypte toe! De geïsoleerdheid van het dorp betekende overigens helemaal niet dat ze er slecht aten. De geroosterde everzwijnen zijn er dagelijkse kost. En elk verhaal wordt beëindigd met een groot bacchanaal, een prelude op Nero’s wafelenbak.

En eigenlijk gaat het er hier in huis tegenwoordig ook zo aan toe. Meer dan ooit worden de dagen gedomineerd door de vraag wat we ’s avonds gaan eten. En daarbij laten we ons liefst leiden door het dagverse aanbod bij de groenteboer.

Ik prijs me gelukkig dat de tocht naar de groentewinkel in mijn geval een wandeling door een ansichtkaart is. Vandaag volgde die het tracé van de rivieren.

Een bevriende buurtgenoot kwam voor het eerst in 14 jaar buiten zonder zijn geliefde viervoeter. Die wisselde eergisteren jammer genoeg het tijdelijke voor het eeuwige, weliswaar na een leven dat enkel de groten der aarde met hem delen. Voor de rest was er rond het middaguur zo mogelijk nog minder volk op de been dat de voorbije dagen. Wat uiteraard een goede zaak is.

Zelfs de fietsen schijnen aan social distancing te doen. Of misschien heeft het ermee te maken dat de meeste studenten ondertussen hun kot hebben verlaten om in de ouderlijke woonst in hun kot te blijven?

Ik had me eigenlijk voorgenomen om een risotto te maken, maar thuisgekomen bleek dat de risottorijst op was. Morgen inkopen dus. Daarop heb ik dan maar dé evenknie van Gallische toverdrank qua vast voedsel gemaakt: ballekes in tomatensaus. Goed gekruid gehakt (peterselie, gemberpoeder, komijn, verse munt, ras-el-hanout, geplette look en geraspte ui) in een pittige tomatensaus (olie, ui, tomaten uit blik) en daarin grote stukken rauwe ongeschilde (maar wel schoongemaakte) aardappel, een dik halfuur de oven in (of in ieder geval tot de aardappelen gaar zijn). Serveren met bijvoorbeeld wat krokante ijsbergsla. Wie dit achter de kiezen heeft, kan elke Romeinse legionair de baas.

Het leuke aan ovengerechten, is dat de geur zich door het ganse huis verspreidt. Op kousenvoeten sluipt ze via de trap naar boven. Nu blijkt dat ook het (tijdelijk) uitvallen van reuk- en smaakzin een symptoom kan zijn van het corona-virus. In een gesprek met viroloog Marc Van Ranst, wierp VTM-nieuwsanker Stef Wauters gisteren op dat een collega van het nieuws, sinds die met symptomen in quarantaine zit, “minder goed ruikt“. De journalist zoekt in zijn hoofd naar alternatieven terwijl hij de zin al aan het uitspreken is, maar hij vindt er niet direct een. Niet dat de VTM-journalist in kwestie een kwalijke geur zal verspreiden – daar zijn ze nogal streng op, bij de commerciële omroep – maar het werkwoord “ruiken” (zoals: ik ruik aan een bloem, of: wat ruik ik hier?) verdringt de laatste jaren steeds meer het werkwoord “rieken” (het riekt hier naar rotte vis, of: dat riekt naar omkoperij). Een beetje hetzelfde dus als met het woord gijzelaar (dat de gegijzelde kan betekenen, maar ook de gijzelnemer. Hoe dan ook; ik heb het al lang geroken dat wij onszelf nog een tijdje zullen moeten gijzelen. En dan zijn welriekende ballen wel zo aangenaam.

Dus: take care, en dat het u vooral moge blijven smaken!