Quiche quarantaine #25: bloemenkool

Er overvalt mij een gevoel van dinsdagheid. Hier is het dinsdag, alle dagen, ik weet het zeker. Dit is een dinsdags land,” aldus schrijver Dimitri Verhulst in zijn boek “Dinsdagland” (2004).

Vandaag was het werkelijk zo’n Belgische dinsdag in mijn geliefde Gent. Ik heb al lang door dat het moment dat de zon even niet schijnt, veel mensen met een gezicht als een hoefijzer gaan rondlopen. Ik denk dat ze op deze verregende dinsdag allemaal door de stad slenterden.

Tot overmaat van ramp lieten de tulpen thuis – weliswaar na twee weken – ook al finaal de kop hangen. Stengels zonder blaadjes en herfst op de parketvloer. Weinig om vrolijk van te worden.

En in de koelkast lag dan ook nog eens een halve bloemkool te zaniken of er nog iets van zou komen. “Ja!”, riep ik nogal geërgerd. “Ik ga eerst om bloemen en dan ga ik me met jou bezighouden!“. Ik gooide de koelkastdeur nogal hard dicht. Kon hij nog een uur langer in het duister liggen mokken.

In de lokale Albert Heijn waren de tulpen in overvloed aanwezig, en dan nog aan fikse promoties. Vier bosjes meegenomen aan halve prijs. En omdat je bij dat soort van promoties altijd het idee hebt dat je geld hebt uitgespaard, maar een pakje gepelde garnalen meegenomen.

Thuisgekomen de vazen geleegd, gereinigd en gevuld met tulpen die hopelijk vanaf morgen zullen opengaan. Bij de eerste donderslag en bliksemschicht (april heeft op het laatste nippertje door dat het nog maar twee dagen heeft om zijn grillen te botvieren) besliste ik om een simpele bloemkoolsoep te maken. Mét pittige balletjes van kalfsgehakt, muskaatnoot, kerrie, broodkruim, peterselie en tijm. En croutons van een schaamsneetje brood. De garnalen zullen morgen dienen voor een nostalgisch gerecht.

Bloemen en bloemkool; er bestààt een verband tussen de twee. Daarvoor moeten we naar Milaan, meer bepaald in het Teatro alla Scala.

Telkens de befaamde operazangeres Maria Callas daar optrad, was het publiek verdeeld in idolate voorstanders en rabiate tegenstanders van de sopraan. Tijdens een opvoering van de opera “Norma” moest de opvoering vaak minutenlang worden stilgelegd na één van Callas‘ aria’s, omdat het publiek zo geestdriftig reageerde. La Callas was bijziend, maar kon natuurlijk op scène geen bril dragen in haar rol van de Gallische hogepriesteres Norma. Na haar laatste noot gooide het wild applaudisserende en scanderende publiek talrijke ruikers bloemen voor haar voeten. Plots hoorde ze ook een zware, doffe plof op de bühne. Zonder het goed te kunnen zien, raapte ze het zware object op, en presenteerde het dankbaar aan haar publiek.

Het bleek een bloemkool.

Ik ben er zeker van, dat ze dat vergiftigd geschenk diezelfde avond nog in de soep heeft laten draaien. Geserveerd in een bord met bloemenmotief.

Quiche quarantaine #21: pizza van nog geen euro

Het is het midden van de week en ook nog eens het exacte midden van de maand. Dat betekent meestal dat er in de koelkast stress over deadlines heerst. Die van de ham liep vandaag af, zo stond op het cellofaan te lezen. En die halve groene paprika vroeg zich ook al van voor Pasen af wanneer hij eindelijk uit de lockdown mocht. Er waren ook nog vijf Parijse champignons waarvan er twee al uitzagen als Parijse clochards. De halve ui die ernaast lag, had duidelijk onzedige plannen met de drie andere kokette exemplaren, want gisteren lag die ui nog op een schap hoger. En dan was er nog wat mozzarella, een restantje van een nachtelijke keukenescapade waar ik niets meer van weet.

In zo’n situatie denk ik onmiddellijk aan pizza. Temeer omdat de basilicumplant op de vensterbank ook al zo arrogant naar me aan het staren was in de ochtendzon. “Pas maar op! Eén dezer dagen maak ik pesto,” waarschuwde ik haar. Het maakte maar weinig indruk. Waarschijnlijk spreekt het ding geeneens Nederlands.

Van mijn dagelijkse ommetje bracht ik dus alleen maar twee grote Belgische paddenstoelen mee. Twee prachtige joekels van Dorische zuilen. Kostprijs: nog geen euro. De rest ging op aan gele en roze tulpen en aan pioentulpen. In quarantaine-tijden kan men immers maar beter iets in huis halen om tegen te praten. En er waren nu eindelijk eens bloemen voorradig!

Voor de rest had ik alles al in huis voor het maken van een pizza: tarwebloem, zout, water en gist om een elastisch pizzadeegje te maken. Passata behoort tot het meubilair van de voorraadkast. En de oven stond er ook nog.

Pizzadeeg maken is kinderlijk eenvoudig. Het belangrijkste is dat je het voldoende laat rijzen, zodat het mooi luchtig en elastisch wordt. De oven op de hoogste stand laten voorverwarmen en – indien aanwezig – gebruik maken van een pizzasteen die de hitte in zich kan opnemen en enigszins het effect van een houtoven kan benaderen.

De champignons, paddenstoelen, ui en paprika aanstoven, om het vocht eruit te krijgen, en voorzien van zout, peper en geperste look. Daarna de dun uitgerolde pizzabodem met wat passata bestrijken, beleggen met de ham en de groenten en gul strooien met gedroogde oregano.

Na nog geen tien minuten komt er een krokante bodem met lekkers uit de hete oven. Besprenkelen met (pikante) olijfolie en wat blaadjes van die arrogante basilicumplant erover versnipperen.

De koelkast is geleegd, mijn maag gevuld. Ik denk dat ik even met mijn tulpen ga praten.

Quiche quarantaine #02: champignons voor slechtzienden

Een rebus: Vrijdagmarkt – markt = Vrijdag. Maar zonder die wekelijkse markt is er maar weinig vrijdag aan. Vreemd; de aanblik van die lege hectare kasseistenen. Een plein zonder publiek, zomaar en plein public! Niet dat de marktkramers lijden aan acute agorafobie (het zou een schitterende antiheld zijn in een film van Woody Allen). Maar allemaal de schuld van het C-woord.

Jacob Van Artevelde staat er ook maar wat wezenloos bij, en wijst dan maar de weg naar de dichtstbijzijnde Albert Heijn.

In de openbare ruimte hebben alle dagen nu hetzelfde gezicht. Geen vrijdag-visdag meer, want de kramen met verse vis geven verstek.

En in café Folklore, bij Jacky & Marina, vandaag geen verse kroakemandels – een flink gezouten alibi voor wéér een verse pint. Erger nog: de finale van de prijskamp “Raad het gewicht van de Italiaanse hesp” was er gepland voor afgelopen zaterdag, maar daags voordien werd de sluiting van café’s bevolen. Door minister-president… Jambon. Misschien moeten we een wedstrijd organiseren “Raad het gewicht van de Vlaamse minister-president” (ontbeend, natuurlijk). Wie er het dichtste bijzit, mag eens naar de kapper. Het is maar een ideetje…

Morgen een zaterdag zonder rommelmarkt en overmorgen een zondag zonder boekenmarkt en bloemenmarkt. Qua boeken kan ik hier thuis nog wel een aantal maanden verder. Maar mijn tulpen zagen er vandaag nogal expressionistisch uit. Gelukkig hebben de hortensia’s er nog voldoende zin in. Soit, wel mooi dat heel wat bloemisten hun stock zijn gaan afleveren in woonzorgcentra om daar ook wat het leven op te fleuren. De Belgen zeggen het misschien moeilijk, maar ze tonen op bewonderenswaardige wijze hun hart.

Zonder die kenmerkende gebeurtenissen, zijn de dagen anoniem geworden. De zon gaat op en de zon gaat onder, maar voor de rest is het een beetje zoals in de film “Groundhog Day“, waarin Bill Murray elke dag opnieuw op exact dezelfde dag wakker wordt.

Misschien is dat wel de reden dat krantenwinkels open mogen blijven. Daar kan je immers zes dagen op zeven een datum op papier kopen. Sommige mensen krijgen die datum al ’s ochtends vroeg thuisbezorgd. Ik ga er liever zelf om. Het perfecte excuus om een essentiële buitenwandeling te maken. Dat schreef gisteren ook Ilja Leonard Pfeijffer in zijn dagelijkse corona-column in De Standaard. De Nederlandse schrijver woont al jaren in het Italiaanse Genua, waar momenteel gevangenisstraffen worden uitgedeeld aan mensen die zich zonder geldige reden op straat begeven. Een citaatje:

Je hond uitlaten telt als een geldige reden. De honden van Genua zijn nog nooit zo gelukkig geweest. (…) In Bologna is een oudere heer betrapt op het uitlaten van een speelgoedhond. Dit zijn, nepnieuws of niet, de berichten die de moed erin houden.

De Standaard, 19 maart 2020

Pfeijffer heeft zelf ook een excuus: boodschappen doen voor zijn buurvrouw. Ik snap mijn literaire held. Werkelijk, er is geen groter genot dan mijn dagelijks bezoek aan de vitaminedealer aan de Vrijdagmarkt. Bij Bayram van Fruitco, met zijn dagverse groenten en onverslijtbare glimlach.

Vandaag viel de keuze op portobello. Portobello… het klinkt als een pittoresk mediterraans havenstadje. “Hoe was de vakantie in Porto Bello? Goed, maar wel nogal toeristisch. Veel Duitsers! Maar wij zaten op vijf minuten van het strand. Wil je de foto’s eens zien?“. Zoiets.

Maar niets daarvan. Het zijn champignons. En wat voor champignons! Met hun hoedenmaat van 12 centimeter diameter steken ze nogal af tegen de minuscule shiitakes die er vlak naast liggen – social distancing of niet. De kloeke portobello is een champignon voor slechtzienden. De BMW onder de schimmels. U mag het elke boswachter vragen, vanop anderhalve meter afstand. Dat spreekt.

De joekels hun stelen stelen, van binnen en van buiten zo sensueel mogelijk inwrijven met olijfolie en vervolgens vullen met een mengsel van blokjes tomaat en feta, met tijm, zwarte peper, oregano en olijfolie en vervolgens een minuut of 20 in een oven van 180 °C. Wie nog oud brood heeft, kan daar ook nog een croutonnetje bij bakken.

Met de ogen dicht gaat het huis inderdaad ruiken naar een pittoresk mediterraans havenstadje. Als je goed luistert, kan je zelfs de Duitsers horen: “Schatzi, hast du mein Handy gesehen?Nein, Manfred. Vielleicht liegt er noch im Hotelzimmer“. Pure Goethe, als u het mij vraagt.

Afijn. Vanaf heden is vrijdag portobello-dag.

Tot voor enkele jaren had je Bij Sint-Jacobs Mohammed, de Algerijnse slager. Je bleef daar altijd een halfuur binnen, want de man had altijd iets te vertellen. Ooit vroeg ik hem hoe hij in Gent was beland. “Oh, Fiston!,” riep hij uit. “Cela fait longtemps!“. Hij werkte in de jaren 1960 als matroos op een schip, dat op een bepaald moment lag aangemeerd in de Gentse haven. “J’ai vu la ville de Gand, et je suis tombé en amour,” herinnerde hij zich. “Et puis, j’ai rencontré une Gantoise. Eh bien, je suis resté“. Zijn brede grijns onderstreepte dat men zich bij dergelijke logica zonder weerstand moet neerleggen. Het koppel heeft toen een winkel tegenover de Sint-Jacobskerk overgenomen om er een beenhouwerij met lamsvlees te exploiteren. En die overgenomen zaak was… een champignonwinkel.

Op de website van Inventaris Onroerend Erfgoed vond ik een foto terug uit 1975. Het wàs effectief ooit een champignonnerie – of hoe noem je zo’n etablissement? Er moet dringend opnieuw zoiets geopend worden. En anders doe ik het zelf wel. En dan noem ik mijn winkel “Van Zwam & Zn.“.

Als dat geen essentiële verplaatsing waard is. Na het virus.