Quiche quarantaine #14: koerbecue en surfen naar zee

Voor een betere leeservaring, duw onderstaande video in gang, zet het geluid hoog en lees eronder verder.

Deze zondag kreeg de thermometer een opstoot. Dit is wat de betreurde Amsterdamse columnist Martin Bril in 1996 tot “rokjesdag” kroonde:

Rokjesdag is een wonderlijke dag. Als bij toverslag zijn de straten ineens gevuld met blote benen. Het wonder is dat de bijbehorende dames hierover van tevoren geen overleg hebben gevoerd. Er is ook geen oproep op televisie geweest, of een speciaal radiobericht.
Ze voelen aan dat het kan.

Nogal genderstereotiep, de dag van vandaag, maar alla: het is de eerste dag waarin het heerlijk boven de 20 graden Celsius wordt. Vandaag is het ook zondag. En er is de Ronde van Vlaanderen (weliswaar geannuleerd, en op de rollen gezet). En het is ook nog eens het begin van een beloken paasvakantie. Dan willen Vlamingen maar twee dingen: vlees op de rooster gooien en naar zee trekken.

Ondertussen blijven de radio’s maar Maggie McNeal’sTerug naar de kust” draaien. Decennia aan een stuk zat ik voor mijn transistor te verlangen naar het begin van die plaat, waarin een elektrische gitaar het nummer vanuit de haven naar volle zee loodst. Maar nooit werden mijn gebeden verhoord. En nu, nu we niet naar de kust mogen, tergt elk radiostation ons dagelijks met McNeals cri de coeur. Ze kan er maar goed mee zijn; extra auteursrechten zijn altijd welkom.

Niet naar de kust dus. Enkel essentiële verplaatsingen, weet u wel. Dus grasduinde ik maar in mijn foto’s van vorig jaar. Toen ging ik er nog vanop de Oostendse dijk kijken naar de stand van de Brexit, daar aan de overkant (bij dat volk met dat raar uur en met die witte kliffen waarvan er jaarlijks een aantal ton in het Kanaal plonzen door erosie) maar daar was op dat moment maar weinig beweging te bespeuren.

Ik spoel een paar keer per jaar graag aan in Oostende. De enige echte stad die ze daar hebben in West-Vlaanderen. Steden moeten immers trams en duiven hebben, en Oostende is de enige stad in die provincie die over die combinatie beschikt. Met dat verschil dat de tram daar “kusttram” wordt genoemd, en dat duiven daar “meeuwen” heten.

Wie de kust vandaag vanop afstand wil beleven, kan bijvoorbeeld terecht bij verschillende webcams om de getijden te volgen of de golfbrekers te tellen. Wij doen het anders. Hier in huis hangt een reproductie van James Ensors schilderij “Les Bains à Ostende” uit 1890. Het is een “Waar is Wally?” avant la lettre, waarin Ensor de hypocrisie van de bourgeois weergeeft. Ik hoop maar dat het er vandaag zo niet uitziet, daar op het einde van ons land. En ik sympathiseer ook wel met de kustbewoners die eens kunnen kuieren op hun dijken zonder dat ze constant dreigen omvergereden te worden door een billenkar die wordt bestuurd door afgedreven zoetwater-Belgen.

Ik moet plots denken aan die keer dat we zo’n vijf jaar geleden op een terras aan de dijk van Knokke een Pale ale gingen drinken. We waren met zijn drieën en hadden besloten te gaan uitwaaien in het Zwin, omdat we net geamputeerd waren van een goeie vriend die veel te vroeg het leven voor de eeuwigheid had ingewisseld. Aan het belendende tafeltje kwam een hoogbejaard koppel zitten. Ze werden onmiddellijk begroet door de Hollandse garçon – compleet met voorgebonden stoefschort en het zwarte haar goed in de brylcreem achterover gekamd. De jonge ober sprak zo mogelijk nog aanstelliger Frans dan het chichi-koppel. Het waren blijkbaar vaste klanten, want de kelner gaf twee kussen aan de kokette matrone en suggereerde haar gewoonlijke glas Chivas Regal-whisky. Haar man zat er voor spek en bonen bij.

Oui,” zei ze gedecideerd, want het was per slot van rekening al tegen 11 uur. “Et pour mon époux, une coupe de champagne et une salade de fruits frais.” De man maakte niet eens aanstalten om de menukaart vast te nemen. De ervaring had hem al lang bijgebracht wie de beslissingen nam in dit gezin.

Wanneer de tumbler whisky, het glas champagne en de fruitsalade waren geserveerd, verdween de vrouw achter een exemplaar van de Franse sportkrant L’Equipe. De man lepelde met lange tanden zijn fruitsalade binnen. Na tien minuten wenkte het sportblad de ober voor een verse Chivas. Terwijl de ober er nog bijstond, sprak ze haar man op een venijnige toon aan, de krant ging eventjes halfstok. “Eh bien, Robert, c’est bon que tu manges tes fruits. Parce qu’à la maison tu ne manges jamais tes légumes!“. Waarop L’Equipe opnieuw in de top werd gehesen, en de man gelaten verder staarde naar zijn glas dat bijna leeg was.

Geamuseerd maakte ik me de bedenking dat dit de mooiste (en enige) live opvoering was die ik ooit van Jacques BrelsLes Vieux” had mogen beleven:

Les vieux ne parlent plus
Ou alors seulement
Parfois du bout des yeux,
Même riches ils sont pauvres,
Ils n’ont plus d’illusions,
Et n’ont qu’un cœur pour deux.

Maar goed, over tot de orde van de dag. Een sissend hete grillpan is ook een soort barbecue. En omdat je er geen houtskool voor nodig hebt, is het nog goed tegen de ontbossing ook. En omdat we ook niet naar de koele Ardennen mogen, heb ik dan maar een Ardeense varkensoester gegrild. Met geglaceerde venkel (een weinig suiker, balsamico en water) en in de oven gebakken verse frietjes van aardappel en zoete aardappel. In een hele hete oven leg je de frieten, die je met wat zonnebloemolie hebt besprenkeld, een twintigtal minuten op een bakplaat (of liever nog zo’n pizzasteen die heel heet kan worden). Je draait ze halverwege eens om. Het mag wat trager gaan deze tijden. De frietjes waren overigens verrassend krokant! Daarbij een verse mayonaise waar je peterselie, bieslook, dragon, kervel,… indraait.

Ik zette me op de koer achter ons huis, en doopte dit tot een koerbecue. Met bovenstaand filmpje vol zeegeluiden met golven, wind en zeegevogelte als achtergrondmuziek. Wie voor de totale kustervaring gaat, kan ook nog een moot vis of dagoude mosselschelpen op tafel leggen en de geur ervan doen verspreiden met een ventilator, maar dat vind ik persoonlijk net iets te hardcore.

Geen barbecue en geen dampende frietketel. De omstandigheden zijn nog nooit zo geschikt geweest om de was te drogen te hangen. Het zorgt weer voor wat extra beweging. En die is nodig. Want als ik deze quarantaine-blog nog enkele maanden moet volhouden, zou men mij wel eens de Ronde van Vlaanderen durven noemen…

Moules-frites

Jean-Claude-Van-Damme.jpg

Het was de vooravond van de nationale feestdag. En wat eet een rechtgeaarde Belg dan anders dan moules-frites? Ons Belgisch nationale gerecht (dat we massaal wegplukken uit Nederlandse wateren – ze hebben er genoeg). Bezongen door zowel Jacques Brel als door Frank Dingenen & De Jumbo’s; tot heroïsche kunst verheven door Marcel Broodthaers.

Het S.M.A.K. in Gent kocht bijna twintig jaar geleden zo’n “Grande casserolle de Moules” van Broodthaers voor een slordige tien miljoen euro. Het lag gevoelig in de Arteveldestad. Pure hypocrisie wanneer je ziet dat tegenwoordig een afgewogen potje mosselen op een Gents terras over de toonbank gaat voor zo’n 25 euro. Frietjes en mayonaise zijn supplementair.

Dan maak je ze toch beter zelf klaar. Veel werk komt er niet bij kijken. Ingrediënten evenmin. Boter, omdat die er altijd moet zijn. Uien en selder vormen een sterfbedje voor de weekdiertjes, met een boucquet garni als rouwkrans en genoeg witte wijn als absoute. Een mooie dood, als u het mij vraagt. (Nu zijn er enkelingen die gelijk met pastis, kerrie of tomaten beginnen te klooien, maar dat zijn in mijn ogen allemaal Amerikanen die dringend voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag moeten worden gesleept.)

Wie geneigd is tot overijverige handelingen, koopt best een mosselpot in de Blokker, zoals wij dat deden. Daar staat het recept in twee talen op beschreven, opgeluisterd door een overigens niet te versmaden illustratie van een lachende mossel met baard. Wie iets meer dan gemiddeld geletterd is, kan zich ook wagen aan het nog steeds briljante negentiende-eeuwse boek van de Gentse kok Philippe Cauderlier, “Het Spaerzame Keukenboek” (1861). Even beknopt als eloquent prijkt daar onder rubriek 100 het recept voor “Mosselen in natuerlyken staet”:

Als de mosselen gespoeld zyn, zet ze op het vuer met ajuinen, gehakte peterselie, peper, zout, en een weinig boter. Als de schelpen open gaen, neem ze van het vuer en bestrooi ze met vermorzeld beschuit.

Het bescheiden motto vooraan het boek luidt overigens: “Wie my zal lezen, zal koksbaes wezen”. Volksverheffing klonk toen nog niet pedant. En kennis moest worden gedeeld en praktisch toegepast. Mosselen maakt men overigens nooit klaar voor zichzelf. Het savoureren ervan is een groepsgebeuren. Dat lijkt op zich zeer on-Belgisch, en net daarom klopt het plaatje.

Wanneer vanuit de keuken het heerlijke geluid komt van de mosselpot die driemaal wordt opgeschud, maakt een gedeeld gevoel van anticipatie en concentratie zich meester van de tafelgenoten op het terras. Die laten zich draperen door de sluier van een gespannen stilte. (Het is een in onbruik geraakte gewoonte, maar ooit werd het begin van een theaterstuk aangekondigd door driemaal op de bühne te stampen met een houten stok. Tegenwoordig doven de lichten en wordt er gesmeekt om smartphones uit te schakelen, waarop het publiek het toestel op de trilfunctie zet.)

De pot wordt in het midden van de tafel gezet en het deksel wordt gelicht waardoor een barokke geur vrijkomt die de buren onmiddellijk hun wasgoed te drogen doet hangen. Ritueel, ceremonie en protocol zijn van groot belang voor Belgen, die bij het spelen van de Brabançonne zwijgen in alle talen. Vervolgens schept men de anderen op. Na het eerste slurpen worden gemeenplaatsen uitgewisseld, en wel in deze volgorde: “Mmmm”. Vervolgens: “Ze zijn lekker dit jaar”. “En goed groot”. “Mmmm”.

Zelfs onze huisvegetariër kon niet weerstaan aan dit ritueel en gooide zijn principes stiekem bij de lege schulpen. Bij wijze van aflaat gooide hij dan maar wat frieten in de pruttelpot, wachtend tot ze aan het zingen gingen. Maar zoals gezegd: de frieten en de mayonaise zijn supplementair.

Ooit zong Jan De Wilde, naar een tekst van Lieven Tavernier, het weemoedige lied “Fanfare van Honger en Dorst”. Het is onwillekeurig ook met mijn Gentse studententijd verweven geraakt.

We hadden geen geld om eten te kopen
Maar we wisten voor alles het beste adres
Mosselen bij Leentje en frieten bij Helga
En Annie bewaarde voor ons wel een fles.

Wie Leentje was, heb ik nooit kunnen achterhalen. Maar bij Elga (zonder H) ben ik één keer frieten wezen eten. Of beter “Fritten”, want zo stond het geverfd op de etalage. Ik was net als student in Gent beland, in de zomer van 2000. Net voor de legendarische vrouw in de blauwe kiel er de brui aangaf. Ik nam de frieten met stoverij die in een oude casserole in Elga’s living op de stoof stond te sudderen. Het was een evenement. Net zoals de eerste keer dat ik in Gent mosselen at. Mijn eerste kot was aan de Lieven de Winnestraat (tussen Krommenelleboog en de Stoppelstraat) aan de Coupure Rechts. Ik had mij evenwel getrompeerd van tramhalte en belandde aan de verkeerde kant van de Coupure Links. Uiteindelijk vond ik tegen middernacht, natgeregend door een zomerse stortbui, mijn bestemming. Het was er muisstil. Er was nog niemand van de elf andere kotgenoten aanwezig. Ook Jill niet, de Antwerpse met een groene papegaai die Pablo heette.

Of toch. Vanuit de gemeenschappelijke keuken ontsnapte een heerlijke lookgeur. Het lief van mijn psychologische buurvrouw stond er gegratineerde mosselen klaar te maken voor zijn vriendin, die zich al op het verse bedlinnen had neergevlijd. Haar lief studeerde in Leuven en zou ’s anderendaags, maandagmorgen, in de vroegte naar zijn kot vertrekken voor een week. Ze is zelf naar de keuken moeten komen, het verse bedlinnen rond haar naakte lijf gewikkeld. Zo kon ze ook nog twee mosseltjes eten, want wij waren uitgebreid kennis aan het maken in de keuken met haar mosselen en zijn goedkope wijn. Ik had een theedoek meegebracht. Om mijn haren te drogen.

Men moet respect hebben voor fanfares van honger en dorst. De stad is ervan vergeven. Zelf ben ik onlangs tot een nieuwe toegetreden. En het moet gezegd: we spelen mooie muziek.

Maar we kunnen nog steeds de Brabançonne niet mee kwelen. Dat hoeft ook niet. Zolang de frieten maar zingen. Al zijn die supplementair.