Wat een bende!

Iedere Belgische zomer moet een aantal grijze dagen tellen, vol windvlagen en regenbuien die elk gemaakt plan doet omkeren, nog voor het de voordeur kan bereiken. Het zijn van die dagen waarop de keukentafel een geruststellende compagnon de route is. Op de radio speelt heerlijke muziek. En af en toe wordt er gepraat over herinneringen aan vakanties in het buitenland en aan zomerliefdes die al twintig jaar alleen met een voornaam door het leven gaan. Dat is exact hoe het hoort: een vakantielief blijft een weeskind van een utopisch niemandsland in een steeds verder verleden. Het zuchtende “Un homme et une femme” van Francis Lai wiegt uit ondertussen uit de radio. Zo te horen is het zomerseizoen ook bij de VRT aangebroken. Bijna lethargisch speel je met het theebuiltje in je mok. Eruit en daarna toch nog eens onderdompelen.

Van boven je dampende kop thee zie je door de openstaande deur, hoe de regen hard neerklettert op de grijze tegels van het stadskoertje. Tussen het schuimende water ontwaar je plots wat rode schakeringen, en je bedenkt je dat het eigenlijk wel eens tijd wordt om het terras een schuurbeurt te geven. Dat had je in de eerste lenteweek al moeten doen, maar dat was er niet van gekomen. En ook vandaag laat je de boel maar even de boel. Dan zie je hoe het witte linnen hemd dat je gisterennamiddag te drogen had gehangen, maar gisterenavond vergeten was binnen te nemen, een nieuwe wasbeurt krijgt. Dom! Maar ach, ook dat zal voor morgen zijn. Vandaag zul je immers toch nergens heen gaan in dat luchtige kledingstuk. Vandaag breng je lekker binnen door in dat blauwe T-shirt met lange mouwen, die je toch maar hebt opgestroopt.

Je besluit een tweede thee’tje te drinken. Met je ogen dicht lijkt het vertrouwde geluid van het borrelende water in de waterkoker een beetje op het geluid van een onweersbui die dichterbij komt. Van op de koer streelt ondertussen een frisse tocht over je blote been.

Je neemt de weekendbijlage van de krant vast, die al vijf dagen ongelezen op de tafel was blijven slingeren, en je bladert wat zonder meer te lezen dan hier en daar een cluster woorden. Enkele vegen tekst en wat afbeeldingen; de zomer mag best impressionistisch zijn. Er staat een mooie foto in over de Tour de France die zal beginnen. Ook ditmaal zorgt zo’n beeld en de sfeer die het oproept voor goesting om de Tour dit jaar wél eens te gaan volgen, maar je weet dat het toch niet zal gebeuren. En onwillekeurig denk je terug aan die schitterende reeks “De Bende van Wim“. Je had ooit de dubbele dvd-box gekocht, maar na enige tijd zoeken vind je ze niet terug. Uitgeleend en nooit teruggekregen. En ook online is ze niet meer te vinden.

Dus graaf je maar in je herinneringen op zoek naar flarden beeldmateriaal. Acteur Wim Opbrouck trok er voor de serie samen met muzikant Jean Blaute en fotograaf Michiel Hendryckx enkele maanden in de zomer van 2002 met de moto op uit, door Frankrijk, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. De serie zat zo goed in elkaar dat je nooit doorhad dat er in het zog van dat heerlijke triumviraat een ganse filmequipe als discrete verstekelingen met hen meereisde. Onder hen ook Pascal Braeckman, de sympathieke geluidsman in een nogal gewaagde korte broek, die later zelf voor de camera carrière zou maken (Pascal Braeckman, niet zijn hotpants).

Aflevering twee heette “Vive les motards“. Daarin ging de Bende even mee op schok met het circus dat de Tour de France is. Maar het waren de Belgische motards die voor de verslaggeving instaan, waarnaar de Bende op zoek was om hen een ode te brengen. Als belhamels hadden ze die ochtend “Vive les motards” op het parcours gekalkt, en met kinderlijke verwachting zaten ze die namiddag in de tent van een café de koers op televisie te volgen, wachtend tot hun slogan in beeld kwam, terwijl het peloton erover denderde.

Veel later, aan de overkant van het Nauw van Calais, strandt de Bende in Liverpool, op zoek naar de oorsprong van The Beatles. De boottocht op de Mersey blijkt net iets te toeristisch. En ook Strawberry Fields blijkt een scheet in een fles, waaruit nochtans een tank van een hit ontsnapte. Wel vinden ze het graf van Eleanor Rigby – je weet wel: “died in the church and was buried along with her name. Nobody came“.

Later zit het drietal in een wassalon. Op een regenachtige dag in een grauwe Engelse arbeiderswijk. Zoemende TL-lampen, goedkope lambrisering en grote anonieme wasmachines met daarnaast een muntjeszuchtige automaat die witte waspoeders dealt. Het is een schitterende locatie om het heimwee op te roepen dat iedereen wel eens moet overvallen wanneer hij een tijd van huis weg is. Stilzwijgend zitten ze te staren naar de patrijspoorten van de wasautomaten waar het witte schuim steeds meer met het klotsende grauwe water mengt. Het voorspelbare ritme van het wasprogramma doet de machines zoemen en stilvallen. Zoemen en stilvallen. “Een wasmachine, dat is thuis,” zegt één van de drie over het troostende geluid. Onafgezien van de schitterende reis die ze maken, zie je in hun blikken dat ze op dat moment het liefst van al aan hun eigen keukentafel zouden willen zitten. Met een kop warme thee die de glazen van hun bril beslaat, zodat ze niet hoeven te zien hoe hun hemd wanhopig hangt te drogen in een Belgische regenbui.